NEDERLANDS - conjugaison : exercice 2

© 2009 - Luc De Droogh - LDD-Soft
Complète au temps demandé :
  1. Wanneer  ?  die vrouw  ?  (mourir, passé comp.) ?
  2. Waarom  ?  de prijs van de benzine zo  ?  (augmenter, passé comp.) ?
  3. Hij zegt dat hij met de bediende niet  ?   ?  (spreken, passé comp.).
  4. Om 2 uur  ?  (staan, prétérite) Katia voor de deur.
  5. Dat kind  ?  al een paar dagen  ?  (verdwijnen, passé comp.).
  6. Ik  ?  (vergeten, prétérite) mijn boekje.
  7. Mijn pen  ?  op de grond  ?  (vallen, passé comp.).
  8. Hij  ?  (trekken, prétérite) gezichten (= faire des grimaces).
  9. De hond  ?  over de brug  ?  (springen, passé comp.).
  10. Die man  ?  (voler, préterite) al de juwelen in ons huis.