Wat ? je zaterdag ? (doen/ pas compos) ?
Ik ? met mijn vrienden naar het stadcentrum ? (gaan/ pas compos).
Wat ? je ? (kopen/ pas compos) ?
Wel, ik ? nieuwe kleren en schoenen nodig (hebben/imparfait). ? je voeten zo ? (groeien/ pas compos) ?
Nee, hoor. Mijn schoenen waren ? (verslijten/ part passé).
Waarom ? je geen leren laarzen ? (kopen/ pas composé) ?
Wel, ik ? geen geld genoeg. Leren laarzen zijn niet goedkoop (hebben/ imparfait).
Ik moet nog geld hebben voor kerstcadeaus.
B. Complète au temps demandé :
Zeg, wat ? je allemaal ? (meebrengen/ pas compos) ?
Wel, ik ? kleren en nog andere spullen voor mijn stage ? ( meenemen)/ pas compos).
Het is zonnig. Het is 30° en je ? winterkleren ? (kiezen/ pas compos) !
Ik heb het altijd koud en ik draag niet graag zomerkleren !
C. Termine les phrases de manière adéquate !
We zijn gisteravond naar het restaurant ? .
Thomas, ben je al met je huiswerk ? ?
En wat heb je ? ? Niets, ik had geen idee.
Waarom heb je geen water ? ?
Heeft Philippe zijn vriend met zijn huiswerk ? ?
We hebben naar een feuilleton ? .
Wie is op je feest ? ?
Wat heb je voor je verjaardag ? ?
Ik heb mijn boek nog niet ? .