Pronoms personnels sujets : Exercice 1


1. Meneer Brouwers woont in Gent. is architect.

2. Dat boek is niet duur. is zeer interessant.

3. Rita is mijn zus. is al twintig jaar.

4. Tom en ik zijn bevriend. gaan samen naar school.

5. Lies en Rita zijn bevriend. spelen altijd samen.

6. Dag Tom! Hoe maak het ?

7. Pardon meneer, kent de weg naar Brussel ?

8. Tom en Bart ! Waar zijn , jongens ?

9. Mijn naam is Sommers en ben leraar.

10. Zeg, hoe laat is nu al ?


© 2009 - Luc De Droogh - LDD-Soft