PRONOMS PERSONNELS COMPLEMENTS NEERL. : EXERCICE
Complète les phrases au moyen de pronoms personnels compléments en
respectant le sens des phrases :
01. Waar is Stef ? Ik zie C niet.
02. "Zie je Rya ?" - "Nee, ik zie C niet."
03. "Heb je je boek ?" - "Ja, ik heb C !"
04. "Heb je je boeken ?" - "Nee, ik heb C niet !"
05. Dit snoepje is voor Tom. Geef C C, alsjeblieft !
06. Deze bloemen zijn voor Lies. Geef C C !
07. Waar zitten je ouders ? Ik zie C niet.
08. "Kom je met je vrienden ?" - "Ja, ik kom met C."
09. Deze papieren zijn voor je ouders. Geef C C !
10. "Die snoepjes zijn voor jou en mij." - "Echt?! Is dat voor C ?"
11. Dag, mevrouw ! Wat kan ik voor C doen ?
12. Wil je wat luider spreken ? Ik hoor C niet.
13. Hij heeft een ander telefoonnummer, maar ik ken C niet.
14. Deze snoepjes zijn voor jou en je vrienden. Ze zijn allemaal voor C.
15. Ik heb mijn sleutels niet bij C; ik heb C thuis vergeten.
16. Ik ga naar het zwembad. Ga je met C mee ?
17. Meneer de directeur, kan ik met C praten ?
18. Mama ! Ik heb een geschenk voor C.
19. Vader en ik gaan naar het restaurant. Komen jullie met C mee ?
20. Piet ? Waar ben je ? Ik wacht op C !
21. Ja mevrouw, ik bel C morgen terug.
22. Piet, Jos ? Mag ik naast C zitten.
23. Hallo Fred, hoe gaat het met C ?
24. Geef C je boek, alsjeblieft. Ik heb C nodig.
25. We spreken Frans, hij spreekt alleen Japans. Hij verstaat C niet.
.
.
Generated by © GaPeX v.2.2 | Valid XHTML 1.0 | Valid CSS 3
© - LDD-Soft.be