MOTS INTERROGATIFS NÉERLANDAIS

16
1
21
15
2
12
3
19
13
18
4
5
20
14
6
7
17
8
9
10
11
1… zeg je? - Niets!
2Hoe … is je zus? - Bijna 13 jaar.
3Hoe … ligt het station? - 5 minuutjes lopen.
4Van … groenten hou je? - Van erwten.
5Hoe … is de Everest?
6… duurt de film? - Anderhalf uur.
7 Hoe … is die tafel? - 90 centimeter en 2 meter lang.
8Hoe … dat boek? - 2 cm.
9… begint je vakantie? - In juli.
10Hoe … is het nu? - Halfdrie.
11… boek is dit? - Van mij!
12… woon je nu? - In Kortrijk.
13… heet je? - Ik heet Boris.
14Hoe … kom je met de fiets? - Drie keer per week.
15Wat … een dier is dat? - Een tijger.
16… is je leraar Frans? - Meneer Jacobs.
17Hoe … is je straat? - Ongeveer 300m.
18… kost zo'n auto? - 30.000€.
19… kom je niet? - Ik heb veel werk.
20Hoe … ben je? - 1m70.
21Hoe … is die grot?