NEERLANDAIS

EXERCICES SUR LES DETERMINANTS POSSESSIFS

INSTRUCTIONS

DÉTERMINANTS POSSESSIFS

Instructions
A. Entre le bon déterminant possessif:
S
  1. Jos: haar is lang en gekruld.
  2. Ik: moeder heet Katrien en heeft kort blond haar.
  3. We: hond is heel aardig.
  4. Jullie: Waar is auto ?
  5. Je: Wat is vader vriendelijk !
  6. Katrien: ogen zijn lichtgroen en haar is ros.
  7. Je: broer ziet er vriendelijk uit.
  8. We: Vandaag is vader erg moe.
  9. John: Nu ruimt hij kamer op.
  10. Jullie: Jullie wonen in nieuwe appartement.
  11. Bert en Mieke: Ik ken ouders, ze zijn erg aardig en vriendelijk.
B. Entre le déterminant possessif qui correspond au sujet:
S
  1. We gaan naar nieuwe school.
  2. An en Cindy lezen boeken.
  3. Hij neemt schooltas.
  4. Jullie vergeten pen.
  5. Schrijft U een brief aan vrienden ?
  6. Marie vindt klasagenda niet.
  7. Vader geeft een cadeau aan kinderen.
  8. Dat is Marie en dat is broer.
  9. Lies schrijft een mail aan pennevriend.
  10. Waarom eet je aardappels niet ?
  11. Ik rijd met nieuwe fiets.
  12. Ze gaan met vakantie met vrienden.
  13. Ik geef tekening aan de lerares.
  14. We gaan met ouders naar het winkelcentrum.
  15. Pardon meneer, U vergeet kaartje !
  16. Paul, geef me computerspelletje, alsjeblieft.
  17. Mijn broer en ik spelen met hondje.
  18. De kinderen studeren lessen niet.
C. Complète par 'ZIJN' ou 'HAAR', selon le cas:
S
  1. Anneleen en broer Johan.
  2. François en moeder Maria.
  3. Fred en ouders.
  4. Katrien en vrienden.
  5. Karolien en nichten Els en Laetitia.
  6. Jacques en oma.
  7. Filip en vriend Hugo.
  8. Dit is Cindy en vriend.
  9. Moeder en vriendin gaan morgen naar de bioscoop.
  10. Wanneer komt Laetitia en vriendinnen?
D. Complète avec un déterminant possessif:
S
  1. Jan en Tom: verjaardag is in mei.
  2. Liesbeth: leraar wiskunde is meneer Depoorte.
  3. Katleen: broer is achttien.
  4. Katleen: moedertaal is Nederlands.
  5. Liesbeth, Jan, Jeroen: moedertaal is Italiaans.
  6. Liesbeth: stad ligt in de provincie Limburg.
  7. Jan: moeder werkt in een kapsalon.
E. Complète avec le déterminant possessif qui correspond au sujet:
S
  1. Hij speelt elke dag voetbal met club.
  2. Ze zwemt graag op woensdagnamiddag met vriendin.
  3. Tom houdt veel van familie.
  4. Zij gaat naar lieve oom.
  5. Ik vind schooltas niet meer.
  6. Op vrijdag ga je niet naar training.
  7. Els en Fred praten vaak met ouders.
  8. Kookt U nooit met vrouw ?
  9. Ik luister vaak naar lievelingszanger.
  10. Thuis spreken we Frans. Frans is dus moedertaal.
F. Complète par 'ONS' ou 'ONZE':
S
  1. vader
  2. fiets
  3. boeken
  4. land
  5. flat
  6. kaart
  7. huis
  8. kamer
  9. frietjes
  10. boek
  11. glas
  12. auto
  13. kopje
  14. provincie
  15. reis
  16. tafel
  17. geld
  18. tram
  19. jurkjes
  20. leraar
G. Complète cette petite lettre par les déterminants possessifs qui conviennent selon le sens:
S
Hoi !
Ik stel me voor: naam is Saskia.
Ik woon in Hasselt, in de provincie Limburg.
vader heet Jos en beroep is informaticus. moeder heet Els, en werkt als lerares.
Ik heb één broer. voornaam is Tom, hij is 14 jaar oud.
We gaan naar dezelfde school. school is niet ver van huis. We kunnen dan met fiets naar school.
Ik heb drie goede vriendinnen op school. voornamen zijn Katleen, Mieke en Anneleen. Katleen is beste vriendin, ze woont in straat en we spelen vaak samen. Ik ken ouders heel goed, ze zijn zeer vriendelijk.
Ik moet nu weg,
Tot de volgende keer,
Saskia

Copyright ©2007-. ~ LDD-Soft.be